Voor ouders
Zo leren kinderen het op school
Nederlandse scholen rekenen en lezen soms anders dan u het zelf leerde. Deze gidsen leggen de methodes uit, zodat u thuis op dezelfde manier kunt helpen.
Rekenen
De getallenlijn en sprongen maken
Kinderen leren rekenen door sprongen te maken op een (lege) getallenlijn in plaats van onder elkaar te rekenen.
Wat is splitsen?
Getallen opdelen in twee delen. De basis voor bijna alle optel- en aftreksommen.
Vleksommen (sommen met een gat)
Een som waarbij een getal onder een 'vlek' verstopt zit. Het leert kinderen de relatie tussen optellen en aftrekken.
De tafels leren
In groep 4 beginnen kinderen met de tafels van 1, 2, 5 en 10; in groep 5 moeten ze alle tafels tot 10 vlot kennen.
Kolomsgewijs rekenen
Een tussenstap tussen hoofdrekenen en cijferen: kinderen rekenen van links naar rechts met hele getallen per kolom.
Cijferen
Het klassieke onder elkaar rekenen van rechts naar links, met 'onthouden' of 'lenen'.
Staartdeling en de hapmethode
De meeste scholen leren eerst 'happen': steeds een handig stuk van het getal afhalen.
Breuken
Van pizzapunten naar rekenen met breuken: gelijkwaardige breuken, optellen, en 'deel van een hoeveelheid'.
De verhoudingstabel
Een tabel met twee rijen waarin je steeds hetzelfde doet met boven en onder. Hét hulpmiddel voor verhoudingen, procenten en schaal.
Procenten
Procent betekent 'per honderd'. Kinderen rekenen via 1%, 10% en 50%.
Begrijpend lezen
Taal
Spellingcategorieën (zoals in Staal en Taal Actief)
Scholen leren spelling met vaste categorieën en namen, zoals 'hakwoord', 'zingwoord' en 'luchtwoord'.
Werkwoordspelling en 't kofschip
Een van de lastigste onderdelen van het Nederlands: d, t of dt?
Woordsoorten en zinsdelen
Grammatica op de basisschool: woordsoorten (wat voor woord?) en zinsdelen (welke rol in de zin?).
Woordenschat uitbreiden
Scholen werken vaak met de 'viertakt' van Verhallen: voorbewerken, semantiseren, consolideren, controleren.
Wat leert mijn kind per groep?
Een globaal overzicht; elke school en methode verschilt iets.
| Groep | Rekenen | Begrijpend lezen | Taal |
|---|---|---|---|
| 3 | Tellen en getallen tot 20, splitsen, optellen/aftrekken tot 20, getallenlijn | Leren lezen (Veilig leren lezen), AVI-start tot M3/E3, korte zinnen begrijpen | Klanken en letters, hakwoorden, eerste spellingcategorieën |
| 4 | Getallen tot 100, sprongen op de getallenlijn, tafels 1-2-5-10, klokkijken | Vlot lezen (AVI M4/E4), start begrijpend lezen: letterlijke vragen, voorspellen | ei/ij, au/ou, verlengen (d/t), meervoud, de/het |
| 5 | Getallen tot 1000, alle tafels, kolomsgewijs optellen/aftrekken, omtrek | Hoofdgedachte, signaalwoorden, onbekende woorden ophelderen | Leenwoorden, woordsoorten (zelfstandig nw, werkwoord, bijv. nw) |
| 6 | Getallen tot 10.000, cijferen, happen/staartdeling, breuken, verhoudingstabel | Tekstsoorten, afleidvragen, samenvatten | Werkwoordspelling tegenwoordige tijd, 't kofschip introductie |
| 7 | Kommagetallen, procenten, breuken rekenen, oppervlakte en inhoud, schaal | Feit/mening, tekstdoelen, argumenten herkennen | Verleden tijd en voltooid deelwoord, zinsdelen (PV, onderwerp) |
| 8 | Herhaling en verdieping, verhoudingen, grafieken, voorbereiding doorstroomtoets | Complexe teksten, betogen, kritisch lezen | Alle werkwoordspelling, lijdend voorwerp, doorstroomtoets |