groep 5–8 · 4 min
Woordsoorten en zinsdelen
Grammatica op de basisschool: woordsoorten (wat voor woord?) en zinsdelen (welke rol in de zin?).
Woordsoorten
Zelfstandig naamwoord (de/het ervoor: de hond), werkwoord (wat je doet: rennen), bijvoeglijk naamwoord (zegt iets over het zelfstandig nw: de grote hond), lidwoord (de, het, een), persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij).
Zinsdelen (groep 7–8)
Persoonsvorm (verander de tijd: het werkwoord dat verandert), onderwerp (wie of wat + persoonsvorm?), lijdend voorwerp (wie of wat + gezegde + onderwerp?).
Emma leest een boek. PV: leest · OW: Emma · LV: een boek