groep 5–8 · 3 min
Signaalwoorden
Woorden die laten zien hoe zinnen met elkaar verbonden zijn.
De belangrijkste soorten
Reden/oorzaak (omdat, want, doordat), gevolg (daarom, dus), tegenstelling (maar, toch, echter), opsomming (ook, bovendien, ten eerste), tijd (daarna, eerst, toen), voorbeeld (bijvoorbeeld, zoals).
Het regende, DAAROM bleven we binnen. → gevolg Het regende, TOCH gingen we naar buiten. → tegenstelling